ERASMUS, VOORBEREIDING OP DE DOOD

Voorbereiding op de dood
Op 19 juni 1533 schreef de Engelse edelman Thomas Boleyn een brief aan Desiderius Erasmus (1466–1536). Hierin vroeg hij de Rotterdammer om een boekje te schrijven over het thema: Hoe bereid ik me als goede christen voor op de dood? Boleyn was de vader van Anna, die zojuist was getrouwd met de Engelse koning Hendrik VIII. Erasmus voldeed binnen de kortste keren aan Boleyns verzoek. Al in december had hij de tekst klaar. De eerste druk rolde begin 1534 van de pers bij Hieronymus Froben in Bazel, niet ver van Freiburg im Breisgau, waar Erasmus destijds woonde. Het boekje zou een van zijn populairste werken worden.

Van aanstichter van het kwaad tot het succes over leven en dood
Het was ook onmiddellijk een succes. Binnen zes jaar verschenen zo’n twintig uitgaven in het oorspronkelijke Latijn— de internationale voertaal waarin Erasmus altijd schreef. Ook kwamen vrijwel meteen vertalingen op de markt in het Nederlands (1534), Duits (1534), Spaans (1535), Frans (1537) en Engels (1538). Alleen al de Nederlandse vertaling werd maar liefst zestien keer herdrukt tot en met 1616— eeuwenlang het record voor een boek van Erasmus in onze taal. Weliswaar belandde het boek in 1570 ook op de katholieke Index van Verboden Boeken, maar daarvoor was niet de inhoud van het boek, maar zijn auteur de reden. Want in het kielzog van de Reformatie belandde Erasmus in de maalstroom van de Contrareformatie: hij werd beschouwd als een aanstichter van het kwaad. Zijn enorme oeuvre (zo’n honderd titels) werd doorgeplozen op uitspraken die strijdig waren met de officiële leer van de katholieke kerk. Soms werden alleen specifieke passages verketterd, niet zelden werden hele boeken in de ban gedaan. Wie op het bezit daarvan werd betrapt, kon hard worden gestraft. Desalniettemin bleef dit boekje over leven en dood onder katholieken populair.

De kunst van het sterven
Deze populariteit van het boek is niet verrassend. Bij uitstek in de 15e en de 16e eeuw waren mensen in de ban van het genre van de ars moriendi, de kunst van het sterven. Dit genre kwam op aan het begin van de 15e eeuw. Juist in de tijd van Erasmus begon het aan zijn grootste bloeiperiode, die duurde tot het midden van de 17e eeuw. Kern van dit genre is het bieden van troost voor ’s levens felheid, zoals Johan Huizinga dat noemt in Herfsttij der Middeleeuwen. De dood was alomtegenwoordig en kon uit het niets toeslaan. Mensen wilden dus zo veel mogelijk gerustgesteld worden over het heil van hun ziel na de dood, voor God. Deze kwestie speelde een belangrijke rol in de aanloop naar de Reformatie, waarin thema’s als biecht, vagevuur, aflaat en boetedoening splijtzwammen vormden.

Het leven voorafgaand aan de dood
Erasmus geeft het genre een nieuwe vorm: een doorlopend en samenhangend betoog. Tot dan toe waren boeken in dit genre niet meer (of minder) dan een verzameling van losse, korte uitspraken en spreuken. Ook Erasmus’ invalshoek is nieuw. Hij legt de nadruk op het leven dat voorafgaat aan de dood, niet op het moment van dood zelf. Zo maakt hij de kunst van het sterven tot de kunst van het leven, waar in zijn tijd de populaire discussie over de dood sterk was gefocust op het sterfbed. In tegenstelling tot zijn tijdgenoten heeft Erasmus geen ontzag voor het sterfbed. In zijn ogen is dat van ondergeschikt belang. Een kenmerkend element van het genre dat bij Erasmus wel een belangrijke rol speelt, is dat van de duivel met al zijn verleidingen.

Goed sterven betekent goed geleefd hebben
Centraal staat bij Erasmus dus de manier van leven. Voor hem is het leven een bewuste, levenslange voorbereiding op de dood. Goed sterven betekent: goed geleefd hebben. Wie goed heeft geleefd, kan niet slecht sterven en hoeft dus niet te vertrouwen op de gebruikelijke rituelen en symbolen om te zorgen voor zijn zieleheil in het hiernamaals (zoals biecht en eucharistie). Dit betekent trouwens allerminst dat hij aan deze rituelen geen waarde hecht. Evenmin betekent het dat we prat mogen gaan op onze manier van leven. Het is niet aan ons om een oordeel te vellen over het leven dat we hebben geleid. Dat is uitsluitend aan God. Bovendien bepaalt niet onze eigen rechtschapenheid, maar die van Jezus Christus ons heil. Aldus Erasmus. Hij benadrukt het belang van een vurig persoonlijk geloof dat moet voortkomen uit een continue bezinning op Christus’ dood, die ieder mens heeft verlost van zijn zonden en eeuwig heil in het vooruitzicht heeft gesteld. Het middel voor deze bezinning moet zijn: stil gebed.

Eigen draai aan traditie
Erasmus was een overtuigde christen en katholiek. Voor hem was het leven op aarde dus ondergeschikt aan het leven in het hiernamaals. De kern van zijn betoog is traditioneel: de dood bevrijdt de ziel uit zijn gevangenis die het lichaam is, dus aanvaard de dood in blijdschap. De dood vormt de ingang tot het ware leven en ware gelukzaligheid, bij God. Het leven op aarde is niet echt van waarde. Goed leven be- tekende voor hem uiteraard: leven als een goede christen. Wie dit heeft volbracht, hoeft de dood niet te vrezen, maar kan hem met een gerust hart tegemoet treden. Niettemin is angst voor de dood—het motief in het eerste deel van de tekst—niet per se slecht. Hij herinnert ons eraan dat we als een goede christen moeten leven. En ook hier geeft Erasmus zijn eigen draai aan de traditie. Het katholicisme kende de leer van de vier laatste dingen (dood, Laatste Oordeel, Hemel, Hel). In dit boek zet Erasmus deze leer om in het viervoudige mysterie van de innerlijke dood en de redding van ieder mens, analoog aan de viervoudige analyse van de dood die hij in dit boek geeft.

Bezinning en gebed
Een kenmerkende eigenschap van de schrijver Erasmus is gevatte oneerbiedigheid, dat is een mengsel van kritiek, humor, intelligentie en charme. Hij wil de lezer doorgaans niet alleen informeren, maar ook vermaken. In dit boek ontbreekt deze eigenschap. De toon is serieus. Het vormt een pendant met zijn Handboekje voor de soldaat van Christus (Enchiridion militis christiani). De bijbelse term ‘soldaat van Christus’ komt dan ook herhaaldelijk voor in dit boek. In zijn Handboekje liet Erasmus zien hoe je het leven moet trotseren, in dit boek hoe de dood. In beide gevallen zijn de wapens: bezinning en gebed. Erasmus neemt ook hier weer krachtig stelling tegen elke vorm van bijgeloof, zoals hij zijn hele leven lang heeft gedaan. De wapens die mensen daaraan ontlenen, vindt hij verwerpelijk en getuigen van een zwak geloof. Dit doet denken aan zijn dialoog Begrafenis (Funus, uit 1526), waarin iemand op de hak wordt genomen omdat hij zich nog op laatste moment moet klaarmaken voor de dood door middel van allerlei rituelen.

Dood als thema
Erasmus heeft zijn hele leven lang teksten geschreven waarin het thema van de dood prominent figureert. Ook daarom kon hij in korte tijd aan Boleyns verzoek voldoen. Wel vormde dit boekje zijn laatste tekst over de dood. Met Marcel Bataillon zouden we het daarom zijn spirituele testament kunnen noemen.

Samenvatting van Erasmus’ betoog
Voor de dood hoeft een christen niet te vrezen. Wie hem vreest, heeft een zwak geloof en is te veel aan aardse dingen gehecht. De mens is geschapen om God, de Eeuwige Waarheid, te vrezen en te prijzen. God beloont dit met geluk, en straft wie dit niet doet, met ongeluk. Jezus heeft ons de gelofte van het eeuwige leven getoond door zijn menswording, aardse leven en wederopstanding. Hij heeft voor ons tegen het kwaad gestreden en gewonnen. Maar de duivel leeft, al heerst hij niet meer. Bestrijd hem met het wapen van het geloof.

Iedereen moet sterven. Zelfs Jezus en Maria zijn gestorven, wat een troost voor ons mag zijn. En bedenk: de dood is de poort naar de hemel.

De dood is viervoudig: [1] De natuurlijke dood scheidt lichaam en ziel; [2] De geestelijke dood scheidt God en ziel; [3] Het samengaan van deze twee doden vormt de eeuwige dood, de dood van de Hel, de tweede en definitieve dood; [4] De transformerende dood scheidt geest en vlees. Deze laatste moet de mens nog tijdens zijn leven ondergaan, hij genereert een geestelijk leven.

Het leven dat je leidt
Niemand weet wanneer hij moet sterven. Dus moet iedereen zich van jongs af aan voorbereiden op de transformerende dood. Niet de aard van de dood bepaalt iemands leven in het hiernamaals, maar het leven dat hij heeft geleid.

Een mens moet ongeveer vier keer per jaar biechten en vaak heilige communie ontvangen. De enige doodsangst die blijft, is de angst voor je eigen zwakte. Dit stimuleert tot het doen van goede werken.

Wie op het moment van sterven geen priester bij zich heeft, moet biechten tot God. De sacramenten tellen dan niet wezenlijk. Vele mensen zijn zonder de sacramenten behouden. Uiteindelijk telt alleen iemands geloof.

Vergeving en verdraagzaamheid
Verdoemenis wordt niet voorkomen door een gewijde begrafenis, of het aantal missen gehouden na de dood, of pelgrimages beloofd door de nabestaanden. Vestig je ontzag op het kruis en de beelden van de heiligen. Lees uit de Bijbel en vooral het Nieuwe Testament. Ga niet met de duivel in discussie over geloofszaken. Geloof wat de kerk gelooft. Missen houden is beter dan aflaten kopen. En vooral: vergeef de mensen die je iets hebben misdaan. Verdraag alles uit liefde voor God, zoals ook Jezus zich schikte naar Gods wil.

Bron: Voorbereiding op de dood vertaald door Adrie van der Laan